top of page
Scherm­afbeelding 2025-11-19 om 13.05.18.png

HET
GETIJDENBOEK

WAT IS EEN GETIJDENBOEK?

Getijdenboeken hebben niets te maken met eb en vloed, maar met de getijden van de dag, de uren dat er gebeden moest worden. Denk aan de metten of de vespers. Voor kloosterlingen was dat 8 keer per etmaal, voor leken mocht het wat minder zijn. Maar nagenoeg iedereen had daarvoor een getijdenboek op zak met psalmen, hymnen, bijbelteksten maar ook eenvoudige gebeden, gericht tot een of andere heilige, om genezing af te smeken bijvoorbeeld.

Getijdenboeken waren zeker niet enkel voor de rijken. We kennen de prachtig verluchte boeken voor de elite, de adel, de clerus, met goud en lapis lazuli versierd, op het fijnste perkament. Maar ook de meid, de metselaar, de belastingontvanger hadden dergelijke boeken. Er waren veel meer mensen geletterd dan we doorgaans denken. De gebeden werden zowel in de volkstaal als in het Latijn opgeschreven. Dit waren echt de bestsellers van de middeleeuwen. 

Completen van de Passiegetijden (tekst) en Noli me tangere (miniatuur) , Getijdenboek van Jacoba van Beieren, Parijs, ca. 1410. Brugge, Openbare Bibliotheek

In veel collecties zitten ook heel sobere boekjes, die helemaal niet vlekkeloos zijn. Er zitten druppels kaarsvet en vegen op; er staan notities in, die weer doorgestreept zijn. Hier klinken echt stemmen uit het verleden. Mensen schreven belangrijke informatie in hun gebedenboek, over geboorten, huwelijken, sterfgevallen, als in een soort dagboek. De boeken werden ook van generatie tot generatie doorgegeven.

Uitsparing voor een leesbril, in Getijdenboek van Loys van Boghem, Lyon (?), 1526. Brugge, Archief van het Grootseminarie Ten Duinen

Een bijzonder object is een houten kistje, bedoeld om zo’n gebedenboek in te bewaren. Recent werd een geheim compartiment ontdekt in het kistje, wellicht om relieken, geld of juwelen in te verstoppen. 

Een van de getijdenboeken ligt opengeklapt op de laatste pagina. In de achterkaft van hout zit een uitsparing voor een middeleeuwse leesbril. Geen luxe voor de kleine lettertjes. Op een van de beroemdste schilderijen van het Groeningemuseum van Jan van Eyck zie je zo’n brilletje, tussen de vingers van kanunnik Van der Paele.

Jan van Eyck, Madonna met kanunnik Joris van der Paele, 1436, Musea Brugge

Getijden- en andere boeken waren big business in het kosmopolitische 15e-eeuwse Brugge. Van heinde en verre trok de stad vakmensen aan en boeken waren een van de belangrijkste exportproducten. De expo toont een lijst met leden van de gilde van de ‘librariërs’, van kopiisten over miniatuurschilders tot uitgevers en handelaars. 

Opvallend: nogal wat namen zijn van vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat zowat een vierde van de mensen in het boekenvak vrouwen waren. Dit helpt alweer om nuance te brengen in het beeld dat we doorgaans hebben van de middeleeuwen.

Boetepsalmen met Laatste Oordeel, in Getijdenboek, Vlaanderen, ca. 1475–ca. 1485. Brugge, Openbare Bibliotheek

GETIJDENBOEKEN IN DE BIBLIOTHEEK VAN BRUGGE

Scherm­afbeelding 2025-11-19 om 13.04.53.png

TROTS EN TROOST - IN HET GROENINGEMUSEUM

HET SCRIPTORIUM IN DE MIDDELEEUWSE ABDIJ

OTH-A0-0083-1QSA.png

Ruïne van de abdij van Villers-la-ville (BE) 

Het scriptorium was een ruimte in middeleeuwse kloosters waar monniken hun spreekwoordelijke monnikenwerk verrichtten. Ze vertaalden er teksten en kopieerden er boeken, bijvoorbeeld boeken over heiligen. De ruimte fungeerde verder vaak als schrijfschool. Het woord is afgeleid van het Latijnse scribere (schrijven).

a-3-5-scaled.jpg

Het scriptorium, ook wel schrijfkamer genoemd, was belangrijk. Vanwege de verspreiding van het christendom groeide ook de behoefte aan religieuze boeken. Tot de uitvinding van de boekdrukkunst moesten werken handmatig gekopieerd worden. Monniken voorzagen in de behoefte en besteden een aanzienlijk deel van hun tijd aan het overschrijven van belangrijke religieuze werken. Lang niet alle kloosters en abdijen hadden overigens aparte scriptoria. Soms werd gewoon in aparte hoekjes en kamers gewerkt.
Tot in de elfde eeuw vond het vervaardigen van handschriften met name in kloosters plaats. Daarna kwamen er ook beroepskopiisten die in de omgeving van kathedraalscholen en universiteiten (vanaf de dertiende eeuw) boekateliers inrichtten.

Het werk van de monniken was relatief zwaar. De ruimte waarin moest worden gewerkt was vaak onverwarmd. Een monnik van Corbie noteerde ooit over het werk in het scriptorium:

‘Wie de kalligrafie niet beoefent, weet niet hoeveel moeite wij moeten doen. Zo zoet als de haven is voor de zeeman, zo zoet is de laatste regel voor de schrijver. Slechts drie vingers houden de pen vast, maar het hele lichaam zwoegt’.

En in een manuscript uit de abdij St. Aignan in Orleans vertrouwde een kopiist ooit het volgende toe aan het papier:

‘Schrijven is onnoemelijk saai. Het kromt de rug, vermindert je zicht, brengt de spijsvertering in verwarring en kraakt je romp.’

FACSIMILE 'APOCALYPS 1313'

GETIJDENBOEKEN OP VANDAAG - WAKOSTA?

bottom of page